skip to Main Content

Stichting ZEHG

Groot Zuideveld 152

4271 CD Dussen

RSIN: 853225345

KvK: 58889914

Rekeningnummer: NL98RABO0138707030

Heb je vragen of wil je contact met ons? Stuur en berichtje via het contactformulier hiernaast.

LET OP! Ben je journalist/redacteur en wil je in contact komen met ons? stuur dan een email naar media@zehg.nl

Hoe heet je? (verplicht)

Je e-mail (verplicht)

Onderwerp

Je berichtje

1. De dokter met het blonde haar

Ik wacht op de visiteronde van de arts en doe mijn best om niet in slaap te vallen. Het doktersbezoekje duurt een minuut, of hooguit twee. Maar wanneer je niets dan eten gepland hebt op de dag en dat niet zo lekker valt, worden kleine dingen opeens belangrijk.

De tijd waarop de dokter arriveert, verschilt nogal op de afdeling gynaecologie. Daar waar op nog geen 100 meter afstand baby’s worden geboren is niets te plannen, weet ik ondertussen.

Daarnaast is het altijd een verassing welke dokter de kamer binnenstapt. En wanneer de ziekenhuiskamer je wereld wordt, je bed je paleis vormt en je niets anders als afleiding verzinnen kunt, vormt de binnenkomst van de dokter een hoogtepunt. Is de dokter vandaag mannelijk of vrouwelijk? Geïnteresseerd of allesbehalve? Expert op het gebied van hyperemesis gravidarum of niet?

Vandaag wordt het bezoek van de dokter aangekondigd door de verpleegkundige met een veelbelovende knik. Ze noemt haar naam en kijkt erbij alsof dit betekent dat dit goed nieuws is. Ik ben benieuwd. De vrouw die binnenkomt is lang en slank en ze heeft kort blond haar. Volgens mij de derde gynaecologe op rij die aan deze uiterlijke kenmerken voldoet, overigens. Maar iets aan haar is anders.

Ze blijft niet op een afstandje voor mijn bed staan turen, maar ze komt direct op de rand van mijn bed zitten. Ze stelt zich voor, wrijft over mijn been en vraagt hoe het gaat. Even heb ik geen onverschillige dokter tegenover me. Even voel ik me geen patiënt, maar mens.

Ik vertel haar dat het niet zo goed gaat en ik ratel er op los. Mijn energielevel is schrikbarend. Ik kan niet meer naar het einde van de gang lopen. Na vijf minuten rechtop zitten ben ik bekaf. Ik voel me een bejaarde oma. En terwijl ik opkijk van mijn onsamenhangende gebrabbel zie ik dat ze luistert. Ze bemoedigt me en moedigt me aan om te gaan oefenen. Kleine stukjes. Kleine beetjes.

Ze bagatelliseert niks. Ze ontkent niks. Ik ben een vrouw met hyperemesis gravidarum en dat wat ik heb bestaat. Niet alleen in mijn wereldje van 6 bij 10 meter hier in het ziekenhuis, maar ook in de wereld van de arts die mijn behandeld arts blijkt te zijn.

2. Doen alsof

Over twee weken ga ik naar Australië. Of in ieder geval, dat was het plan. Ik ben 12 weken zwanger en nog steeds zo ziek als een hond. Ondertussen vertellen ze me in het ziekenhuis dat het grote braakfestijn niet over is bij 12 weken, maar bij 14 weken. Wat er met die 12 weken deadline is gebeurd laat ik in het midden. Ik wil het niet weten.

Ik doe aan wishful thinking, want hoewel ik mezelf nu keer op keer vertel dat ik het best nog twee weken langer volhoud geloof ik ondertussen echt niet meer dat het dan opeens verdwenen is. Maar ik moet een houvast. Een punt om naartoe te leven. En nog 28 weken wachten…. Dat is te lang. Veel te lang.

Dus ik doe alsof, samen met de artsen en de verpleegkundigen. We spelen een spelletje en doen allemaal alsof het bijna over is. Ik lig weer in het ziekenhuis, maar over twee weken ga ik naar Australië. Ik krijg een sms van een kennis. Zij blijkt ook een pion in het grote spel. Ze zegt me dat ik vast uitzie naar de grote reis. Nog even volhouden.

In mijn gedachten zie ik witte stranden. Voeten in het zand. Een overwinningsfoto op social media van mezelf, manlief en de aankondiging van onze kleine spruit. Want in Australië, als ik daar ooit kom, mag dan toch echt de vlag uit. Dan ben ik gezond.

Ik ben zwanger! Dat blijkt begin juni, ruim 5 weken. We zijn gelukkig! We kunnen het amper geloven, maar 3 verschillende testen vertellen dat het echt zo is. Ik vertel mijn vriend, dat mijn vorige zwangerschap (11 jaar geleden) gepaard ging met extreem overgeven. Dat het beetje overgeven wat ik nu heb, echt een geluk is!

Hoort het erbij, of toch niet?
Week 6. Intussen is het beetje overgeven overgegaan in dagelijkse overgeven, 20 keer per dag of nog vaker. Aan het einde van die week, bel ik een vriendin. Of ze mij naar de huisartsenpost kan brengen. “Je hebt hyperemesis gravidarum” hoor ik van de dokter, “aan je verhaal te horen, had je dit ook bij je dochter.” Ik wist niet dat het een naam had. Bij mijn dochter heb ik 22 weken, extreem overgegeven. Zonder hulp. Ik dacht dat het erbij hoorde, dat vertelde de huisarts mij ook. Pas toen ik bij 20 weken bloed overgaf en dus een kapotte slokdarm had, kreeg ik medicatie. Daarna verbeterde het.

Ik word opgenomen. Krijg een echo, dat is een groot geluksmoment, dwars door de ellende heen. Een kloppend hartje, 7 weken zwanger. Mijn vriend komt net binnen, bij de echo. Maar hoe gelukkig we ook zijn, ik zie letterlijk groen. Uiteindelijk krijg ik een infuus, wat eerst fout geprikt word. Maar alles gaat langs me heen, ik ben mezelf niet meer. Heb visioenen over vocht. Het infuus zit, en ik mag naar de afdeling.

Een verpleegkundige komt, ze sluit het infuus aan. Ik voel het vocht door mijn arm. Ik kan wel huilen van opluchting, alleen er zijn geen tranen door de uitdroging. Ze zegt dat het nog wel een aantal uur duurt voor mijn mond wat minder droog word. Maar er is hulp. Ik ga gerust slapen.

Eindelijk geholpen
Intussen heb ik goede hulp van uit het AMC. Ik heb twee soorten medicatie, die halen de scherpe randjes er vanaf. Geen 20 keer per dag of vaker overgeven. Geen nieuwe ziekenhuis opname. Maar wel elke dag misselijk, elke dag meerdere malen overgeven. Elke inspanning, ook enkel een stukje lopen of iets kleins doen in huis veroorzaakt weer meer overgeven. De muren vliegen soms op mij af. Want in rust, ben ik het meest stabiel.

Volhouden
Ik heb al veel echo’s gehad. Met 7 weken, 9 weken, 11 weken, 14 weken. Onze baby groeit perfect! Dat doet me goed, dat geeft mij de moed om door te zetten en zelfs blij te zijn met mijn baby. Ik ben het gaan splitsen in mijn hoofd. De baby, waar we intens gelukkig mee zijn. En de zwangerschap die heel misselijk-makend is, en gewoon rot! Waardoor ik zonder schuldgevoelens kan huilen, boos zijn of machteloosheid voelen.

Mijn vriend is mijn steun en liefde. Hij geeft me het gevoel dat ik niet teveel ben, ook al kan ik vrijwel niets. Hij geeft mij het gevoel dat ik in zijn ogen, de mooiste vrouw ben die er is. Ook al voel ik mij misselijk en hang ik vaak kotsend boven de wc. Hij staat er helemaal voor mij.
Mijn dochter is afgelopen week 11 jaar geworden. En ook mijn meisje is geweldig. Ik heb co-ouderschap met haar vader en de dagen dat ze bij ons is, is ze heel lief. Ik ben geweldig trots op haar. Het herinnert mij eraan dat ik hier al 1 keer eerder doorheen ben gegaan, en het heb overleefd. Dat kan ik nu ook. Want mijn dochter is het waard, en deze baby ook.

Ik ben nu 14 weken zwanger, en zal af en toe wat schrijven over deze zwangerschap, met HG! (afkorting voor hyperemesis gravidarum)

1. Ziekenhuisopname

Ik zie door de bomen het bos niet meer. In mijn buik groeit een super verrassing. Op dit moment kan het mij gestolen worden. Het enige waar ik belangstelling voor heb, is een oplossing voor mijn ziekmakende toestand. Ik ben radeloos, ik kan niet meer helder denken. Het gevecht met mijn lichaam schopt de hele boel overhoop. Ik ben vreselijk in de war. Mijn overlevingsmechanisme is meer actief dan me lief is. Het is nog steeds mogelijk om deze zwangerschap te beëindigen. Ik zit binnen de zone waarin een kunstmatige beëindiging mag plaatsvinden. Het is mijn enige escape, want ik ga dit niet overleven. Ik haat mezelf. De gedachtes voor het stoppen van mijn zwangerschap spoken nu een dikke week door mijn hoofd. Ik heb ze zelfs hardop gehoord, terwijl ik ze uitsprak naar Rick. Hij keek me met open mond aan. Hij wist geen woord uit te brengen. Het was een vreselijk moment en nu haat ik mezelf, juist hierom.

Het was mijn huisarts die mij gisteren uit voorzorg doorstuurde naar het ziekenhuis voor een aantal testen, om eventuele uitdroging voor te zijn. Al was het alleen goed voor mijn eigen gemoedstoestand. Er vond een actie plaats en dat was precies wat ik nodig had.

Ondanks dat ik probeerde om, naast de waardes van de afgenomen testen, mijn situatie extra te belichten, werd ik aan het eind van de dag weer naar huis gestuurd. Hoe kon dat nu? In welke toestand moest ik dan daadwerkelijk verkeren om serieus genomen te worden? Val ik onder de diagnose aanstelleritis? Ik klapte volledig dicht. Ik stond op, gaf de assistente een hand om het gesprek te beëindigen en trok stellig mijn jas aan. Ik was klaar met haar. De assistente keek verbouwereerd. Ik kon dit vanuit mijn ooghoeken zien. Ik had niets lelijks gezegd, absoluut niet. Wel kreeg ze toen ik opkeek de beruchte Layla blik toegeworpen. Ik was daar zeker niet trots op. Maar een moeder in nood die niet serieus genomen werd, die bijna smeekte om hulp maar deze niet kreeg en zo haar laatste strohalm uit haar handen zag wegglippen, maakte simpelweg gebruik van moederlijk buitenaardse krachten. Degene, die op dat moment moedwillig in de weg stond (want de assistente had bij twijfel kunnen overleggen met de gynaecoloog, maar was zo fier op haar eigen conclusie) en in de ogen van de moeder juist de redding van haar kind bewust stagneerde, tja die kreeg de blik des oordeel.

Terug thuis wilde ik alleen zijn. Ik liep rechtstreeks naar onze slaapkamer en sloot mezelf op.  Ik was uitgeput en volledig in tranen. Ik was verscheurd door mijn eigen gedachtes over het eventueel kunstmatig stoppen van mijn zwangerschap. Niemand kon mij helpen. Ik voelde mij geïsoleerd van iedereen en het meeste van mezelf. Wat moest ik nu doen? Isabella kwam over een uur uit school en ik kon mij niet in deze toestand aan haar presenteren. Ik ging op bed liggen, in de hoop dat ik in slaap viel. Om even weg te vliegen uit deze wereld. Neem mij mee in een mooie droom, zodat ik deze nachtmerrie voor even kane vergeten. En mijn misselijkheid ook, want die was er nog steeds. Ik viel in slaap.

In mijn droom zat ik, groen van de misselijkheid, vast op een boot. Krampachtig klampte ik me vast aan de reling, herhaaldelijk proberend om me het ritme van de misselijkmakende golven eigen te maken, met de wensgedachte het eerste stukje vaste land in de verte te zien. Dat gaf troost, dan was ik er bijna, op de plaats van mijn nieuwe bestemming: mama zijn van mijn kindje.

Tijdens de zware reis, nog voordat ik mijn bestemming had bereikt, kwam heel snel mijn troost. Niet het uitzicht van het vaste land, dat was door de lange afstand en tijd nog niet mogelijk. Maar er bleek nog een passagier te zijn, ik was helemaal niet alleen op de boot. Een lief dapper jongetje van ongeveer 5 jaar oud, met halflange blonde haren en grote bruine ogen die dwars door mij heen keken, stond aan de andere kant van de reling. Een medepassagier die dezelfde reis en dezelfde weg als ik onderging. Door de luidruchtige golven en de tendens die het voortbracht, had ik hem bijna over het hoofd gezien.

‘Mama hier ben ik, kun je mij zien? Kun je mij horen? Strek jouw hand naar voren uit, dan kun je mij voelen en houd ik jou stevig vast. Wij maken deze reis samen. Mama ik ben er al, wij zijn er al.’

Met het lieve kinderstemmetje nog hoorbaar in mijn hoofd schrok ik wakker. Van heel dichtbij had ik het mooiste en het liefste jongetje van de hele wereld gezien. Mijn zoontje. Een warme verliefdheiddeken lag nog over mij heen.

Een verpleegkundige komt mijn kamer ingelopen. Mijn koffer staat nog ingepakt naast me op het bed. ‘Mevrouw Cremer?’ vraagt de verpleegkundige. ‘Ja,’ antwoord ik wat terughoudend. ‘Ik kom u installeren en gereed maken voor het infuus.’

In alle haast heb ik vanmorgen na het onverwachte telefoontje van de gynaecoloog snel wat kleding erin gepropt. ‘Goedemorgen mevrouw Cremer,’ klonk het door de telefoon. ‘U bent gisteren voor een uitgebreide controle in het ziekenhuis geweest. Hoewel de uitslag door mijn assistente niet overtuigend genoeg werd bevonden, wil ik u met spoed verzoeken om terug te komen naar het ziekenhuis. Mijn bevindingen concluderen op dit moment tot ziekenhuisopname. U dreigt uit te drogen.’ Eindelijk werd er serieus naar mijn toestand gekeken.

Natuurlijk krijg ik een infuus, dat is de ultieme oplossing voor mij. Voldoende vocht laten circuleren in mijn lichaam, zonder de kokhalsreflexen. Isabella is mee en ik zie aan haar dat ze niet beseft wat er allemaal gebeurt met haar mama. Mama heeft een baby in haar buik. Dat weet ze maar al te goed. ‘Waarom zijn we in het ziekenhuis? Ga jij hier slapen? Mag ik bij jou blijven?’vraagt Isabella aan mij. Ik schiet meteen vol, maar ik houd mijn tranen in bedwang. Rick tilt Isabella op en zet haar naast mij neer op het bed. Rick beantwoordt de vragen: ‘Mama is een beetje ziek. De dokters gaan mama helpen, zodat ze niet meer hoeft te spugen.’ Isabella begint hard te lachen en zegt: ‘Ja mama doet gek, ze maakt hele gekke geluiden, zo doet ze.’ Isabella kan en alleen zij mag het gênante geluid van mijn braken nadoen. Ze gaat op het bed staan, in een vooroverhangende positie en geeft de perfecte imitatie van de overgeefspecialist weer. Natuurlijk kan ik daar om lachen. Ik ga haar missen de komende dagen, ik mis haar nu al. Toch ben ik blij met de zorg en rust die ik zonder haar aanwezigheid ga krijgen. Mijn infuus wordt geprepareerd en geïnstalleerd. Isabella vraagt of het pijn doet. ‘Nee hoor, het is maar een klein prikje’ antwoord ik. Rick komt rustig in beweging en bereidt hiermee Isabella voor op ons afscheid. ‘Dag lieve schat, morgen kom je op bezoek hier bij mij en dan gaat het al veel beter met mama,’ zeg ik geruststellend tegen haar en tevens tegen mezelf. Isabella en Rick zwaaien voor het laatst in de deuropening en ze verdwijnen de gang op.

Ik kijk omhoog naar de twee grote met vocht gevulde zakken aan de infuusstandaard. Zo simpel kan het dus zijn. Gewoon hop een naald in je arm en de boel wordt zonder ingewikkeld gedoe doorgespoeld. Weken lang heb ik geworsteld met een normaal glaasje water en nu vloeit het vocht mijn lichaam in. Hier lig ik dan, in het ziekenhuis. In een klein kamertje met het uitzicht over een toegangweg voor het bestemmingsverkeer voor de woonwijk. Gelukkig een mooi vooruitzicht. In mijn situatie is een leuk uitzicht een pre, dat realiseer ik mij al te goed. Tijdens onze huwelijksreis in Bali hadden we uitzicht op een karakterloze muur. Dan lig ik hier een heel stuk beter.

2. De overgeefspecialist

Met flink wat ongemak zit ik op een wit steriel bed. Zo’n robuust bed met van die verstelbare ijzeren beugels en hekwerk. Ik heb net ingecheckt bij de balie beneden in de hal. Vervolgens de lift genomen naar de eerste etage, de gang door, tweede deur rechts en aangekomen op mijn ‘vakantiebestemming’. Niet een oord die in mijn top drie staat. Toch ben ik blij dat ik er ben. Eindelijk gaat er iets gebeuren, eindelijk wordt er gehoor gegeven aan mijn noodkreten. Ik ben acht weken zwanger en ik weet mij geen raad. Dagen, weken voel ik me al hondsberoerd. Overgeven, overgeven en nog eens overgeven. In de ochtend, de middag en de avond, 24 / 7. Een grote troost als ik ’s avonds naar bed ga en eindelijk in slaap val. Dan ben ik even vrij van het overgeefspektakel.

Ik kan niets binnenhouden, geen voedsel en geen drinken. Zelfs niet een geroosterd wit broodje of wat warme kippensoep. Dan ben ik toch echt goed ziek. Ik was vroeger thuis het soepmonster. Mijn moeder maakte elke zaterdagochtend een grote pan. Ik kon dan niet wachten totdat ze klaar was. Het gehele weekend door snoepte ik ervan. Hartje winter of midden in de zomer, ik werd er blij van.

Het drinken is het allerergst. Water, thee, limonade, frisdrank, melk – alles voelt als dikke stroop in mijn mond. Het lukt me niet om een slok weg te slikken. Kleine slokjes, met een rietje, zonder een rietje, niets werkt. Hoe is het toch mogelijk, dat een natuurlijk reflex van het een op het andere moment niet meer tot de normale gang van zaken behoort. Een activiteit waarover je vrijwel nooit nadenkt, is nu mijn dagelijkse terreur. Het niet gemakkelijk kunnen eten is ook aanwezig, maar hoe gek het ook is, het drinken krijg ik niet voor elkaar. Af en toe lukt het me om een half glaasje limonade in kleine gedeeltes op te drinken. Dan blijf ik uit voorzorg rustig vijf minuten zitten, zodat ik mijn maag geen enkele stimulans geef om het met een versnelde gang terug te sturen naar waar het vandaan kwam. Met een beetje geluk en geduld lukt het. Zo niet, dan helaas en moet ik na het overgeven het gehele proces opnieuw uitvoeren. Het is een dagtaak.

De grote feestvreugde na de positieve uitslag van de zwangerschapstest lijkt alweer zo lang geleden. Precies 1,5 week op de teller heb ik onbezorgd kunnen genieten. 1,5 week mocht ik met de illusie rondlopen dat het inderdaad dit keer anders zou verlopen. Ik ben niet ziek. Zie je wel!

Natuurlijk wist ik in mijn achterhoofd, dat ik te vroeg aan het juichen was. Tijdens de zwangerschap van Isabella begon het drama zich vanaf week 9 te voltrekken. Om nu al de vergelijking te maken en de conclusie te vormen dat het dit keer anders was, dat was vals spelen.

Dit kon niet langer doorgaan. Ik wist dat ik veel te weinig vocht binnenkreeg. Zeker niet de minimale wenselijke hoeveelheid van 1,5 liter per dag. In de afgelopen weken heb ik meerdere keren met de verloskundige gebeld. Helaas kon ze weinig voor mij doen, enkel hopen dat het met een aantal weken sterk zou afnemen. Het stelde me niet gerust. De korte gesprekken gaven mij niets om aan vast te kunnen houden. ‘Het is naar voor je Layla, maar je bent wel overduidelijk in verwachting,’ waren de goed bedoelde woorden van mijn verloskundige. Helaas ging ik toch weer voor het ergste vrezen. Deze zwangerschap zal hetzelfde verlopen als mijn eerste. Negen maanden lang ziek zijn en niets wat kan leiden tot de oplossing voor de aanhoudende misselijkheid en het verschrikkelijke braken. Het was steeds meer een feit, ik ben de komende maanden opnieuw de overgeefspecialist.

Back To Top